Deuteronomium

Deuteronomium is het vijfde boek van het Oude Testament. Het gaat over Mozes die de Wet van God aan het volk Israël meedeelt.

Tweede wet
Deuteronomium is het vijfde en laatste boek van de Tora (in het Grieks Pentateuch). Het Latijnse woord Deuteronomium komt van het Griekse deuteros (tweede) en nomos (wet). Deuteronomium betekent dus 'Tweede Wet'. Het past oude voorschriften aan nieuwe omstandigheden aan; verder voert het belangrijke vernieuwingen in. Ofschoon al deze wetten in verschillende tijden en plaatsen ontstaan zijn, worden zij toch toegeschreven aan Mozes, de grote wetgever, door wiens toedoen in Israël de grondslagen van alle recht gelegd werden. 

Mozes
Deuteronomium verschilt sterk van de andere Pentateuch-boeken in de Bijbel: GenesisExodusLeviticus en Numeri. Voor een groot deel bestaat het uit redevoeringen van Mozes waarin hij, vlak voor zijn dood en vóór de intocht in Kanaän, het volk oproept de grote weldaden van God in Egypte en in de woestijn niet te vergeten. Ook wanneer zij zich in het beloofde land gevestigd zullen hebben, moeten zij Jahweh trouw blijven en zijn wetten onderhouden. Dan zal Hij hen hoog verheffen en met zegeningen overstelpen; zo niet, dan zullen vele vervloekingen hen treffen.

Toespraken en wetten
De kern van het boek wordt gevormd door de toespraken van de hoofdstukken 5-11 en 27-28 en de wetten van de hoofdstukken 12-26. De wetten zijn voor een deel een herhaling van oudere wetten, maar hier zijn zij gesteld in de vermanende, oratorische stijl van het hele boek. Later zijn nieuwe inleidende toespraken en slotredevoeringen aan het boek toegevoegd. De laatste hoofdstukken, over de aanstelling van Jozua en de dood van Mozes, hebben gediend om Deuteronomium in het geheel van de Pentateuch op te nemen en in te passen.

Liturgie
Misschien heeft het boek zijn vorm te danken aan liturgische plechtigheden, waarbij eerst Gods weldaden werden verkondigd, vervolgens de Wet werd voorgelezen en ten slotte zegen werd beloofd aan degenen die de voorschriften van Jahweh onderhouden, en vloek werd uitgesproken over de trouwelozen (27-28). De Levitische priesters die deze liturgie leidden, waren zich daarbij ervan bewust het werk van Mozes voort te zetten en legden hun woorden dan ook hem in de mond.

Met dank aan de Katholieke Bijbelstichting (KBS) te Den Bosch die de 'Inleiding op het boek Deuteronomium' (Willibrordvertaling van de Bijbel, uitgave 1995) welwillend ter beschikking heeft gesteld voor verwerking in dit lemma.