Abraham

De Bijbelse aartsvader Abraham wordt door joden, christenen en moslims vereerd om zijn geloof in God. Hij is de ‘vader van vele volkeren’. Hij is de stamvader van de Israëlieten en de Ismaëlieten. Isaak, de zoon die zijn vrouw Sara hem schonk, was de drager van het ‘altijddurende verbond’ dat JHWH met Abraham sloot.

Verhalen en historiciteit
In de Bijbel wordt het verhaal van Abraham verteld in de hoofdstukken 11 tot en met 25 van het boek Genesis. Andere verhalen over Abraham vindt men in joodse geschriften als de Talmoed en de Midrasjim en in de Koran en islamitische overleveringen. Er bestaat geen enkel bewijs voor de historiciteit van Abraham.

VERHAAL IN GENESIS

Naam
Het Bijbelse verhaal over de grote aartsvader begint met het vertrek van Abrams vader uit Ur en eindigt met Abrahams dood op 175-jarige leeftijd. De naamswijziging (Gen. 17,5) bevat een goddelijke belofte. De Hebreeuwse betekenis van de Mesopotamische Abram is 'verheven vader'. De nieuwe naam Abraham levert in het Hebreeuws echter geen nieuwe betekenis op. Toch heeft de joodse traditie abraham op basis van de Schrift verklaard als 'vader van een menigte' of 'vader van vele volken'. Dat is de eerste belofte van JHWH aan Abraham: hij wordt de stamvader van vele volken. 

Roeping van Abram
Terach is de vader van Abram. Hij vertrekt uit Ur in Kasdim (de stad der Chaldeeën in Beneden-Mesopotamië) samen met Abram, zijn kleinzoon Lot (zoon van Abrams broer) en Sarai, de vrouw van Abram, naar Kanaän. Zij komen niet verder dan Haran in Noordwest-Mesopotamië. In Haran wordt Abram door JHWH geroepen om zijn ouderlijk huis te verlaten en naar Kanaän te gaan. Samen met Sarai, zijn neef Lot en zijn personeel trekt Abram naar Kanaän. Daar aangekomen verschijnt JHWH aan hem met de belofte dat Hij dit land zal schenken aan Abrams nageslacht.

Abram en de farao
Een zware hongersnood dwingt Abram en Lot naar Egypte te reizen om daar graan te kopen. Abram is bang dat hij door de Egyptenaren gedood zal worden vanwege zijn “bijzonder mooie” vrouw. Daarom moet Sarai van hem zeggen dat zij Abrams zuster is en niet zijn vrouw. De farao is zeer onder de indruk van Sarai en neemt haar tot zijn vrouw. Daartoe overlaadt hij Abram met geschenken. Maar de farao wordt door JHWH met plagen geteisterd. Als hij er achterkomt dat Sarai Abrams vrouw is, stuurt hij Abram en de zijnen weg.

Abram en Lot
Teruggekomen in Kanaän bezit zowel Abram als Lot veel vee. Tussen oom en neef ontstaat een geschil over het gebruik van het land voor hun dieren. Omdat ze geen ruzie willen maken, besluiten ze uit elkaar te gaan. Lot krijgt van zijn oom de eerste keus en kiest voor de vruchtbare vlakte van de Jordaan. Abram gaat wonen bij de eiken van Mamre en Lot in Sodom. Tijdens een oorlog wordt Lot gevangengenomen. Abram roept zijn mannen op voor de strijd tegen de legers van vijandelijke koningen. Hij overwint hen en bevrijdt daarbij zijn neef. Met de overwonnen vorsten sluit hij vrede. Daarop wordt Abram gezegend door Melchisedek, de koning van Salem.

Gods verbond met Abram
Enige tijd na de oorlog herhaalt JHWH zijn belofte om het land Kanaän te schenken aan Abrams nageslacht. Abram reageert verbaasd, omdat hij kinderloos is. Maar God verzekert hem dat een zoon die hijzelf heeft verwekt het land zal beërven.

Ismaël
Sarai begint er steeds meer onder te lijden dat zijn geen kinderen kan krijgen. Daarom stelt ze haar man voor een kind te verwekken bij haar Egyptische slavin Hagar. Abram slaapt met haar en Hagar wordt zwanger. De zoon die uit hun gemeenschap wordt geboren noemt Abram Ismaël.

Besnijdenis
Als Abram 99 jaar oud is, verschijnt JHWH aan hem. Opnieuw doet JHWH een belofte aan Abram en sluit met hem een verbond. God geeft hem nu een nieuwe naam: Abraham, “want Ik heb u vader gemaakt van vele volken. Ik zal u zeer vruchtbaar maken, volken zal Ik van u maken, zelfs koningen zullen uit u voortkomen. Ik sluit mijn verbond met u en uw nakomelingen, generatie na generatie, een altijddurend verbond: Ik zal uw God zijn en de God van uw nakomelingen. Heel Kanaän, het land waar u nu als vreemdeling verblijft, zal Ik aan u en uw nakomelingen geven om het voor altijd te bezitten, en Ik zal hun God zijn” (Gen. 17,5-8). JHWH kondigt ook aan dat Sarai een zoon zal baren en dat het verbond op hem zal overgaan. Het verbond wordt door Abraham bezegeld met de besnijdenis. Hij besnijdt zichzelf, zijn zoon Ismaël en al zijn mannelijke huisgenoten.

Mysterieus bezoek
Bij de Eik van Mamre krijgt Abraham bezoek van drie mannen, een manifestatie van JHWH. Zij kondigen de geboorte van Isaak aan. Bij hun vertrek onthult JHWH aan Abraham dat Hij de zondige stad Sodom wil vernietigen. Abraham smeekt God de stad te sparen omwille van de onschuldige mensen die ook in Sodom wonen. JHWH besluit Sodom dankzij Abrahams intercessie niet te vernietigen, maar enkel als er tien rechtvaardigen te vinden zijn. Inmiddels zijn de bezoekers geen drie maar twee mannen, die verderop in het verhaal 'engelen' worden genoemd.

In Gerar
Omdat er geen tien rechtvaardigen in Sodom en Gomorra te vinden zijn, wordt de stad vernietigd. Abraham verlaat dan Mamre en trekt naar de Negev. Een tijdlang woont hij in Gerar, waar Abimelech koning is. Hier gebeurt hetzelfde als in Egypte. Abraham vreest dat Abimelech hem zal doden vanwege zijn vrouw Sarai (die inmiddels Sara heet). Sara moet dus zeggen dat zij Abrahams zuster is. Sara wordt overgebracht naar het paleis waar Abimelech haar tot zijn vrouw wil nemen. JHWH verschijnt hem in een droom en dreigt hem met onheil omdat hij Abrahams vrouw heeft afgepakt. Vol schrik verontschuldigt de inmiddels ziek geworden koning zich en overlaadt Abraham “met schapen en geiten, runderen, slaven en slavinnen” (Gen 20,14). Abraham bidt dan tot God en Abimelech wordt genezen.

Isaak en Ismaël
Abraham is honderd jaar als Sara zijn zoon Isaak baart. Als hij acht dagen oud is, wordt hij door Abraham besneden. Het kind groeit voorspoedig op en op de dag dat hij geen borstvoeding meer krijgt, geeft Abraham een groot feest voor zijn zoon. Bij dit feest drijft Ismaël de spot met zijn jongere broertje. Sara wordt razend en dwingt Abraham om Ismaël samen met diens moeder weg te sturen. Dat doet hij: moeder en zoon worden de woestijn in gedreven. God ziet hun leed en ontfermt zich over hen.

Beproeving
Op een dag stelt God Abraham op de proef: “Ga met Isaak, uw zoon, uw enige, die u liefhebt, naar het land van de Moria, en draag hem daar, op de berg die Ik u zal aanwijzen, als brandoffer op” (Gen. 22,2). Gehoorzaam gaat Abraham samen met Isaak op weg. Hij laat zijn zoon zelf het brandhout voor het offer dragen. Als hij op het punt staat zijn zoon de strot af te snijden, grijpt een engel in: “Raak de jongen met geen vinger aan en doe hem niets! Ik weet nu dat u God vreest, want u hebt Mij uw zoon, uw enige, niet willen onthouden” (Gen. 22,12).

Rebekka
Als Abraham op hoge leeftijd is gekomen laat hij zijn oudste dienaar een vrouw voor zijn zoon Isaak zoeken in Mesopotamië, omdat hij niet wil dat Isaak met een Kanaänitische huwt. In Aram-Naharaïm vindt de dienaar het meisje Rebekka. Zij is Abrahams achternicht. Rebekka is het kleinkind van Abrahams broer Nachor.

Zes nieuwe zonen
Na de dood van Sara neemt Abraham een andere vrouw, Ketua geheten. “Zij schonk hem Zimran, Joksan, Medan, Midjan, Jisbak en Suach. Joksan was de vader van Seba en Dedan. De zonen van Dedan zijn de Assurieten, de Letusieten en de Leümieten. De zonen van Midjan zijn Efa, Efer, Chanok, Abida en Eldaä. Dat zijn allemaal nakomelingen van Ketura.”

Overlijden
Abraham maakt Isaak tot zijn enige erfgenaam. De zonen van zijn bijvrouwen krijgen van hem geschenken en worden naar het oosten gestuurd, weg uit de omgeving van zijn Isaak. Abraham is 175 jaar als hij overlijdt. Zijn zonen Isaak en Ismaël begraven hem in de grot van Makpela, op de akker van Efron, ten oosten van Mamre.

Kleinzonen
Abrahams kleinzonen bij Isaak zijn Esau en Jakob, de stamvader van de Israëlieten. Abrahams kleinzonen bij Ismaël zijn Nebajot, Kedar, Adbeël, Mibsam, Misma, Duma, Massa, Chadad, Tema, Jetur, Nafis en Kedema. Zij worden 'de twaalf vorsten van twaalf stammen' genoemd.

ABRAHAM IN HET JUDAÏSME

Monotheïst
Abraham is voor joden het toonbeeld van gastvrijheid, naastenliefde en wetgetrouwheid. Hij is de vader van allen die zich tot de ware God bekeren. Volgens joodse overleveringen was Abraham de eerste monotheïst. Hij geloofde niet in God omdat God hem dat opdroeg, maar omdat hijzelf ontdekte dat er slechts één God is.

Afgodsbeelden
In de midrasjim, de rabbijnse commentaren op de Tora, worden verhalen over Abraham verteld die niet in Genesis staan. Daarin wordt hij beschreven als een rationeel mens die de absurditeit van veelgoderij en idolatrie wil aantonen. Volgens de midrasj Genesis Rabbah 38 dreef Abrahams vader Terach een handel in afgodsbeelden. Toen zijn vader eens niet thuis was, sloeg Abraham alle afgoden op de grootste na aan gruzelementen. Bij thuiskomst eiste Terach een verklaring. Abraham zei dat het grootste beeld de kleinere beelden had vernietigd zodat hij de aan hun gebrachte graanoffers kon pakken. Terach geloofde dit verhaal niet; beelden zijn daartoe immers niet in staat. Precies mijn punt, antwoordde Abraham.

Koning Nimrod
In de Talmoed (Baba Batra 91a) staat dat de geboorte van Abraham was voorspeld door de astrologen van koning Nimrod, die de komst van iemand als Abraham als een bedreiging voor zijn eigen macht beschouwde. Toen Abraham geboren was, verborg Terach hem uit angst voor de koning in een grot. Op driejarige leeftijd verliet Abraham de grot en ontdekte hij dat er één God is die hemel en aarde geschapen heeft. De Talmoed beschrijft Abraham verder als een wijze en een groot astroloog.

Tempel
Koning Salomo liet volgens de joodse traditie de Tempel bouwen op de berg Moria, waar Abraham zijn zoon Isaak had willen offeren. De Sjachariet, het joodse ochtendgebed, zou terug gaan op Abraham, die voordat hij naar Moria trok vroeg was opgestaan (Gen. 22,3) om te bidden tot JHWH. 

ABRAHAM IN HET CHRISTENDOM

Evangeliën
In het Matteüs-evangelie wordt Jezus Christus in het eerste vers “zoon van David, zoon van Abraham” genoemd. Als Jezus over God spreekt, dan heeft Hij het over 'de God van Abraham, Isaak en Jakob” (Mt. 22,32; Mc. 12,26). In het Magnificat zingt Maria: “Hij trekt zich Zijn dienaar Israël aan, zijn milde erbarmen indachtig; zoals Hij de vaderen heeft beloofd, voor Abraham en zijn geslacht voor altijd” (1, 54.55).

Sint Paulus
In zijn Romeinenbrief maakt Paulus zijn rechtvaardigingsleer duidelijk aan de hand van Abraham (Αβρααμ). “Wat moeten wij bijvoorbeeld denken van Abraham, onze stamvader? Wat heeft hij ondervonden? Als hij op grond van zijn daden gerechtvaardigd is, heeft hij reden zich te beroemen; maar voor God heeft hij die niet! Immers, wat zegt de Schrift? Abraham heeft God geloofd en dat is hem aangerekend als gerechtigheid” (Rom. 4,1-3). In de Galatenbrief schrijft Paulus: “Neem nu Abraham: hij heeft God geloofd en het werd hem als gerechtigheid aangerekend. U ziet dus: mensen die geloven, dat zijn kinderen van Abraham” (Gal. 3,6.7).

Vader van het geloof
In de christelijke traditie wordt Abraham beschouwd als de fysieke stamvader van Israël en de geestelijke vader van allen die in de ene God geloven, dus ook de niet-Joodse christengelovigen.

Vader offert Zoon
De Katholieke Kerk beschouwt het offer van Isaak als een voorafbeelding van het offer van Christus. Abraham werd in zijn geloof in de ene God beproefd. “Als uiterste loutering van zijn geloof wordt hem die de beloften had ontvangen gevraagd de zoon te offeren die God hem gegeven heeft”, zo staat in nr. 2572 van de universele catechismus van de Katholieke Kerk. “Zo wordt de vader van de gelovigen gelijkvormig gemaakt met de Vader die zijn eigen Zoon niet zal sparen, maar Hem voor ons allen zal overleveren”, aldus de catechismus.

Sint Abraham
In alle liturgische tradities van de Katholieke Kerk en de Orthodoxe Kerken worden de aartsvaders als heiligen vereerd. In de Grieks-Orthodoxe Kerk worden Abraham en zijn neef Lot herdacht op 9 oktober. In de Russisch-Orthodoxe Kerk vindt die gedachtenis plaats op 22 oktober (= 9 oktober volgens de Juliaanse kalender).

ABRAHAM IN DE ISLAM

Profeet en boodschapper
Ook moslims vereren Abraham (Arabisch: Ibrahim) om zijn geloof in de Enige God. Hij is de moslim (Arabisch: muslim = 'die zich onderwerpt') bij uitstek. Islamitische gelovigen zien in hem zowel een profeet (nabi), als een boodschapper (rasul) en een leider (imam). Ook wordt hij in de islam beschouwd als de stamvader van de Arabieren.

Gered van het vuur
In de Koran wordt Ibrahim genoemd in een aantal soera's. In soera 21 wordt verteld hoe Ibrahim de afgoden van zijn familie verbrijzelde en daarvoor gestraft werd met de vuurdood. Allah beschermde hem echter tegen de hitte en maakte de vlammen koel. Na dit wonder bleven zijn stamgenoten hem echter vervolgen.

Offerfeest
Ook in de Koran staat het verhaal van de beproeving van Abraham die wordt opgedragen zijn zoon te slachten (soera 37,100-107). De zoon, die van tevoren door Ibrahim van Allah's bevel op de hoogte gesteld wordt gesteld, gebiedt zijn vader het bevel op te volgen. De naam van de zoon wordt niet genoemd. In de islamitische traditie wordt deze zoon echter niet geïdentificeerd met Isaak maar met Ismaël. De beproeving van Ibrahim wordt herdacht tijdens het Offerfeest. Moslims laten dan een schaap slachten ter herinnering aan het offerdier waar Allah in voorzag toen Ibrahim de test had doorstaan.

Mekka
Volgens de moslimtraditie hadden Ibrahims zoon Ismaïl en zijn moeder Hagar zich na hun wegzending gevestigd in Mekka. Ibrahim bezocht hen daar geregeld. Toen zij zagen dat de door Adam gebouwde Ka'aba in Mekka in verval was geraakt, bouwden Ibrahim en Ismaïl het heiligdom weer op. In een hoek van de Ka'aba bevindt zich de Hadjar al-Aswad, een steen uit het paradijs die volgens een overleving door de aartsengel Djibriel (Gabriël) aan Ibrahim gegeven was. Deze steen zou eerst wit geweest zijn, maar werd door de vele zonden van de mensheid geheel zwart.

Katholieke visie op islam
Volgens de Katholieke Kerk moet de islam worden beschouwd als het geloof in dezelfde God als waarin christenen geloven. Het is immers de God van Abraham. “Het heilsplan strekt zich ook uit tot hen die de Schepper erkennen, onder wie vooral de moslims, die in hun belijdenis aan het geloof van Abraham vasthouden en samen met ons de ene en barmhartige God aanbidden die op de jongste dag de mensen zal oordelen”, aldus de vaders van het Tweede Vaticaans Concilie(Lumen Gentium 16, vgl. Nostra Aetate 3).